Andrew, een Asperger

Prof. Dr. Simon Baron-Cohen (Cambridge University) maakte maakt een beschrijving van een Asperger op basis van echte mensen die hij in de loop der jatren ontmoette. Hij noemt hem ‘Andrew’;

Andrew is negentien. Hij is in zijn taalgebruik altijd erg voorlijk geweest. Hij sprak zijn eerste woordje met negen maanden en had toen hij anderhalf was al een flinke woordenschat. Zijn allereerste woordje was eigenlijk meteen een combi­natie van drie woorden: truck met oplegger. Zijn ouders waren apetrots en vertelden aan iedereen die op bezoek kwam hoe bijzonder en slim hun zoontje was. Toen hij twee was, las hij de kleine lettertjes achterop alle dvd’s die ze in huis hadden en hij wist van duizenden films bij de plaatselijke videotheek de adviesleeftijd (alle leeftijden, 6, 12 of 16 jaar). Op zijn derde rende hij, wanneer hij met zijn vader mee was naar de video­theek, langs de stellingen en zette de video’s die andere klanten verkeerd hadden teruggezet op de goede plek.

In alle vertrekken waar hij kwam, controleerde Andrew de stopcontacten, en van alle lampen en apparaten die niet aan stonden, trok hij de stekker eruit. Op zijn vierde was hij begon­nen met het verzamelen van voetbalplaatjes en bij ieder plaatje kon hij de naam van de voetballer noemen en alle bijbehorende feiten (doelpuntgemiddelde, in welke teams hij had gespeeld, wanneer hij bij zijn huidige club was gekomen, hoeveel de club voor hem had betaald, enzovoort).

Andrew had nooit de behoefte om met andere kinderen van zijn leeftijd te praten. Hij was liever bij volwassenen en daar sprak hij meer tegen dan mee. Hij vertelde iedereen die het maar wilde horen alle details van de Harry Potter-boeken en als hij niet werd onderbroken, kon hij daar uren over doorgaan. Wat hem betrof, hoefden anderen niet te reageren op zijn monoloog. Verder vond hij het heerlijk urenlang alleen in zijn slaapkamer lijstjes te maken van zijn lievelingsliedjes, lievelingsfilms, lie­velingsauto’s of lievelingstoverspreuken uit Harry Potter. Zijn moeder zei voor de grap wel eens dat Andrew zoveel lijstjes maakte dat hij eigenlijk een lijst van al zijn lijstjes nodig had.

Andrew kwam op de basisschool geregeld in de problemen omdat hij niet op tijd in de klas was. Dan zat hij te lezen in de encyclopedie die hij altijd bij zich had, of was bezig al het gemaaide gras achter de school netjes in rechte stroken te leg­gen. In de klas schreeuwde hij vaak ‘Waarom?’ of ‘Hoe weet u dat?’ wanneer de leerkracht iets als een feit bracht. De leer­kracht stond dan in tweestrijd. Aan de ene kant zag ze wel dat Andrew van nature nieuwsgierig was en wilde ze hem daarin niet tekort doen. Maar aan de andere kant vond ze het ook erg storend voor de andere leerlingen en vervelend dat Andrew mensen zomaar in de rede viel en niet meedeed aan groeps­activiteiten. Wanneer Andrew een uitbrander kreeg omdat hij de leerkracht voortdurend onderbrak, bracht hij daar tegenin dat een leerkracht of iemand anders die iets zegt dat feitelijk onjuist is, ‘fout zit’, ‘onzin uitkraamt’ of ‘liegt’. Andrew voelde het als zijn plicht de waarheid te spreken en anderen erop te wijzen wanneer informatie niet juist was. Hij kreeg de bijnaam ‘foutrnelder’.

De leerkrachten vonden het ook erg lastig dat Andrew veel dieper wilde ingaan op allerlei onderwerpen dan in de klas mogelijk was of zelfs meer wilde weten dan zij hem konden vertellen. Toen hij bijvoorbeeld veertien was en de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog aan de orde kwam, raakte An­drew geïnteresseerd in de slag bij Monte Cassino, die begon op 4 januari 1944. Toen het lesuur was afgelopen en de rest van de klas doorging naar Frans, wilde Andrew nog veel meer kleine details van die ene slag weten: hoeveel soldaten er waren ge­sneuveld, hoe ze heetten, op welke dag ze waren overleden, hoe en waar ze waren omgekomen, hoeveel mensen de slag hadden overleefd, de namen van de overlevenden, hun rang, hoe hun uniform eruit zag, welke insignes ze droegen, de route die ze hadden gevolgd, waar ze heen gingen, enzovoort.

Hij zag niet in waarom hij zou moeten ophouden over die ene slag, want als je zei dat je de geschiedenis van die slag had bestudeerd, dan was dat een leugen als er nog feiten waren die niet boven tafel waren gekomen. Hij had de neiging een on­derwerp volledig uit te melken, totdat er geen nieuwe informa­tie meer beschikbaar was. Pas dan was hij er aan toe om over te schakelen op een ander onderwerp. Hij vond het vervelend dat de leerkracht en zijn klasgenoten zeiden dat hij ‘bezeten’ of ‘geobsedeerd’ was door de slag bij Monte Cassino. Als een onderwerp de moeite waard was om te bestuderen, dan deed je dat wat hem betrof goed of helemaal niet. Het onderwijsniveau op school viel hem enorm tegen omdat de onderwerpen zo oppervlakkig, vaag en algemeen werden behandeld dat het in zijn ogen niets voorstelde. Hij vond de meeste mensen dom en had weinig respect voor mensen die vragen over feiten niet nauw­keurig konden beantwoorden. Bovendien kon hij niet bevatten dat mensen zich bepaalde informatie niet goed herinnerden en wel eens een fout maakten.

Als er vrienden van zijn ouders op bezoek kwamen die veel wisten over een bepaald onderwerp (zoals wijn maken of de Russische taal), dan vond hij het heerlijk allerlei vragen te stel­len over dat bepaalde onderwerp. Mensen voelden zich vaak in het nauw gedreven door Andrews spervuur van vragen en gaven aan dat het wel leek alsof ze aan een verhoor werden on­derworpen en alsof Andrew probeerde kennis uit hun hoofd te downloaden naar het zijne. Het gebeurde wel eens dat Andrew al vragen begon te stellen wanneer het bezoek, dat hem soms een aantal jaren niet had gezien, net binnen was gekomen en nog in de gang stond. Andrew leek niet goed aan te voelen wat sociaal gepast was, wanneer het genoeg was geweest of wan­neer anderen hem opdringerig of vervelend vonden.

Toen Andrew een jaar of zeven, acht was, werd hij door de andere kinderen op het schoolplein gepest. Een keer stopten ze hem zelfs in de vuilcontainer van de school. Hij leerde heftig van zich af te slaan en kreeg vaak straf omdat hij had gevoch­ten, hoewel hij steeds volhield dat hij niet was begonnen. Op zijn twaalfde raakte hij gefascineerd door cijfers en vier jaar eerder dan gebruikelijk deed hij examen in wiskunde, waarop hij de hoogst mogelijke score haalde. (Dit examen doen Britse kinderen doorgaans op hun zestiende.) En dat was dan met­een ook het enige vak waarin hij examen deed, omdat hij vond dat het niveau van de geschiedenislessen achterlijk laag was en dat de boeken van de overige exacte vakken geen aandacht be­steedden aan de manier waarop de dingen werkten, maar je bij­voorbeeld alleen onderdelen van het oog lieten benoemen of de eigenschappen van levende wezens lieten opsommen. Hij wilde bijvoorbeeld precies weten hoe een cel werkte, want voor hem was een cel hetzelfde als de broodrooster die hij uit elkaar had gehaald en weer in elkaar had gezet – een prachtig apparaatje.

De lessen Engels vond hij enorme tijdverspilling, omdat de leraar vragen stelde die je onmogelijk kon beantwoorden, zoals: ‘Hoe denk je dat de schrijver zich voelde?’ of ‘Wat betekenen de dromen in Dood van een handelsreiziger?’ Hij vroeg de rector of hij de rest van de vakken niet kon laten vallen. Hij wilde zich alleen richten op wiskunde, want wiskunde was ten min­ste logisch en nauwkeurig, en nieuwe feiten en nieuwe regels bouwden altijd voort op de vorige. Hij hield van wiskundige patronen en zijn lievelingscijfer was dat van de gulden snede: 1,6180339887.

De rector zei dat het in het Verenigd Koninkrijk nu eenmaal wettelijk verplicht is om bepaalde basisvakken te volgen en dat alle vakken die hij wilde laten vallen daaronder vielen. Andrew lachte haar recht in haar gezicht uit en zei dat ze een instelling leidde waar kinderen bar weinig leerden over heel veel dingen en vrijwel niets over één onderwerp. Hij zei ook dat ze anti­ educatief bezig was. Zij herhaalde dat het nu eenmaal zo was geregeld in de wet. Hij hield vol dat het er in het onderwijs om gaat dat je kennis vergaart en dat dat inhoudt dat je begrijpt hoe onderdelen met elkaar samenhangen en waarom de dingen zijn zoals ze zijn, of het nu gaat om natuurlijke verschijnselen, zoals de chemische processen waardoor de kleuren in gesteen­ten ontstaan, of om menselijke gebeurtenissen, zoals het aantal stemmen dat alle kandidaten in alle kiesdistricten krijgen voor de uiteindelijke verkiezing van de premier. Hij schreeuwde dat hij geen behoefte had om tien feiten over de Tweede Wereld­oorlog te leren om een examen te halen. Hij pakte de wereld­bol van haar bureau, zei dat hij zich daaraan stoorde omdat de landsgrenzen allemaal veranderd waren sinds die wereldbol was gemaakt en dat hij dus niet meer klopte, en gooide hem door het raam. Toen werd hij voor een week van school ge­stuurd.

Omdat het pesten niet ophield, raakte Andrew de motivatie om school af te maken kwijt en hij haakte op zijn vijftiende af De drie jaar daarna zat hij thuis. In die periode leerde hij zich­zelf ieder gitaarnummer dat in de jaren ’70 van de vorige eeuw (zijn lievelingsdecennium) was geschreven en verzon hij zijn eigen taal, het Origenish, die naar zijn zeggen de oorspronke­lijke menselijke taal was, met woorden die een mengsel waren van Hindi en Hebreeuws en een eigen woordenboek en gram­matica. Op zijn achttiende was hij nog steeds van mening dat iedereen dommer was dan hij, maar zijn gebrek aan diploma’s begon zijn arrogante houding te ondermijnen. Hij besloot eind­examen te gaan doen in een aantal vakken en haalde in een jaar tijd door middel van zelfstudie een diploma op het hoogste niveau voor zes vakken (drie exacte en drie culturele vakken).

Op basis van deze resultaten besloot hij verder te gaan stu­deren en schreef hij zich in voor een universitaire studie na­tuurkunde. Inmiddels kent hij de namen van alle eiwitten uit zijn hoofd en kan hij ook hun driedimensionale structuur be­schrijven. Hij maakt nog steeds lijstjes, maar geeft toe dat hij geen idee heeft hoe je een gesprek voert en peinst er niet over een café binnen te gaan. Zijn grootste angst is een gesprek ‘over koetjes en kalfjes’, want daar kan hij, zoals hij zelf zegt, he­lemaal niets mee. Op de universiteit zag hij op een prikbord een poster over het Asperger-syndroom en hij besefte dat dat wel eens op hem van toepassing zou kunnen zijn. Hij meldde zich bij een kliniek, waar de diagnose werd gesteld. Toen hij de diagnose te horen kreeg, stond hij op en schudde de hand van de arts. Dit tot grote verbazing van zijn ouders, die waren meegekomen voor het onderzoek. Eindelijk had hij het gevoel dat hij ergens bij hoorde en hij was blij dat hij nu een naam had voor datgene waardoor hij zich altijd anders had gevoeld dan anderen. Het speet hem dat de diagnose niet was gesteld toen hij nog een kind was, want dan was ten minste onderkend dat hij een andere leerstijl had en een gemakkelijk doelwit was voor pestkoppen, en hij betreurde de ‘verloren jaren’.

Vervolgens ging Andrew eens kijken op het internet en hij ontdekte dat er heel veel mensen zijn met het Asperger-syn­droom. Met sommige van hen heeft hij nu geregeld e-rnailcon­tact en soms spreken ze zelfs af om samen naar een of ander evenement te gaan, waar bijvoorbeeld de slag bij Monte Cas­sino wordt nagespeeld. De hersenen van andere mensen, zoge­naamde ‘neurotypische’ hersenen, vergelijkt hij met vlinders: ze fladderen ongestructureerd van onderwerp naar onderwerp. Hij ziet het nut van een ‘neurotypisch’ gesprek niet in. Zelf heeft hij alleen behoefte om met iemand te praten om informatie te krijgen of te geven, of om iets feitelijks te beargumenteren. Hij geeft zonder meer toe dat hij niet erg tactisch is, omdat hij altijd gewoon zegt wat hij denkt. Hij ziet niet in waarom je dingen zou ‘verbloemen’ en snapt niets van beeldspraak. Hij erkent dat hij geen echte vrienden heeft, hoewel hij de schoonmaker die zijn kamer op orde houdt en de kassière in de supermarkt als vrienden beschouwt, omdat die hem iedere dag begroeten. Van tijd tot tijd is hij depressief.

Andrew gaat veranderingen volledig uit de weg. Hij gaat altijd om drie uur ‘s nachts naar bed en noemt zichzelf een echt avondmens. Hij eet niet samen met de rest van het ge­zin, maar in zijn slaapkamer. Vaak zit hij in het donker achter zijn computer wiskundige problemen op te lossen. Wanneer zijn moeder binnenkomt en het licht aandoet of de gordijnen openschuift, raakt hij helemaal uit zijn concentratie en hij kan dan zo kwaad worden dat hij spullen door de kamer smijt. Hij eet en drinkt iedere dag hetzelfde, namelijk volkorenbiscuits en melk. Hij zegt dat daar alles in zit wat hij nodig heeft om gezond te blijven en dat het ook nog eens heel voordelig is. Het maakt hem niets uit wat anderen van zijn vreemde gewoonten vinden. Voor hem telt alleen zijn eigen mening.

Ieder kwartier luistert hij naar het weerbericht op de radio en hij houdt alle berichten bij in een opschrijfboekje, met keurige kolommen voor temperatuur, neerslag, windsnelheid en lucht­vochtigheid. Hij kijkt nog altijd vaak naar zijn lievelingsfilms en zegt dat hij sommige wel honderden keren heeft gezien. Het  geluid van een vlieg in de kamer doet pijn aan zijn oren en hij weigert naar binnen te gaan totdat de vlieg eruit is.

Soms heeft hij het gevoel dat hij van een andere planeet komt, van Mars bijvoorbeeld, omdat hij dingen waar anderen totaal geen moeite mee hebben niet begrijpt en niet kan. Dingen die voor andere mensen doodnormaal zijn, zoals de uitdrukking op iemands gezicht begrijpen, een gesprek op gang houden, ie­mand troosten, inschatten wat je beter niet kunt zeggen om te voorkomen dat je iemand kwetst, of gewoon een grap begrij­pen. Het gevoel dat hij een soort marsmannetje is, heeft hij al vanaf de basisschool. Als hij de andere kinderen op het school­plein spelletjes zag doen die geen duidelijke regels hadden, had hij geen idee hoe ze wisten wat ze moesten doen. Hij spreekt nog steeds meer tegen dan met mensen. Het is wel eens gebeurd dat hij aan het bellen was en nog tien minuten bleef doorpraten nadat degene aan de andere kant van de lijn al had opgehangen, omdat hij niet in de gaten had dat er niemand meer luisterde.

Hoewel Andrew een kei is in wiskunde en het onthouden van feiten, en natuur- en scheikundige wetten gemakkelijk op­pikt, lukt het hem niet de onuitgesproken regels van de omgang tussen mensen te doorgronden. Hij heeft een paar keer over­wogen een einde aan zijn leven te maken, maar de contacten met andere mensen met het Asperger-syndroom, die hij heeft leren kennen via het internet en die net als hij worstelen met het gevoel aan de zijlijn te staan en niet op deze planeet thuis te horen, houden hem op de been. Dat het Asperger-syndroorn tegenwoordig steeds minder wordt beschouwd als een stoornis en steeds meer als een neurologisch ‘atypische’ ontwikkeling vindt hij getuigen van meer respect voor zijn anders-zijn. Hij vergelijkt het hebben van het Asperger-syndroom vaak met linkshandig zijn in de tijd waarin linkshandigheid nog werd gezien als iets ‘duivels’ dat moest worden afgeleerd. Hij vindt steun bij de gedachte dat een deel van de bevolking zich ge­woon anders ontwikkelt vanwege een andere ‘bedrading’ van de hersenen.

Bron:

Simon Baron-Cohen: Autisme en Asperger-syndroom – de stand der zaken